Ename Colloquium - Abstracts

Het Onroerend erfgoed en de inrichting van getijdenzones: de impact van de inrichting van een overstromingsgebied in de ‘Wijmeersen 2’ (Beneden Schelde) op het archeologisch en cultuurhistorisch erfgoed.

ERWIN MEYLEMANS, YVES PERDAEN, INGE VERDURMEN
VIOE

Vanaf 2009 zullen verschillende zones langs de Beneden Schelde worden ingericht als overstromingsgebieden met getijdeninvloed. De belangrijkste doelstellingen van deze inrichting zijn enerzijds veiligheid (tegen ongecontroleerde overstromingen), anderzijds ‘natuurlijkheid’ (creatie van slikken- en schorrenzones).

Deze ontwikkeling tot ‘Gecontroleerde Overstromingsgebieden met Gereduceerd Getij’ (GGG) of ontpolderingen zal een belangrijke impact hebben op het onroerend erfgoed in deze wetlands. De belangrijkste negatieve factoren hierbij zijn:

  • De constructie van nieuwe dijken;
  • De volledige erosie van het huidige landschap en zijn historische structuren en relicten;
  • Op langere termijn hernieuwde erosie door de insnijding en migratie van nieuwe geulen.

Vanwege het enorme archeologische en cultuurhistorische potentieel en belang van deze gebieden enerzijds, en het gebrek aan paleolandschappelijke en archeologische gegevens door maskerende alluviale afzettingen anderzijds, voert het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed ‘pro-actief’ verkennend onderzoek uit in deze gebieden. De belangrijkste facetten van dit onderzoek zijn de diachronische reconstructie van de paleo-omgevingen (door geologisch onderzoek aan de hand van boringen en reconstructie van het paleomilieu aan de hand van vnl. pollenonderzoek), archeologische prospectie en historisch onderzoek.

De doelstellingen van het project zijn het maken van een inschatting van de impact van de werken op het paleolandschappelijke en culturele erfgoed, en de formulering van mitigerende scenarios (bewaring in situ wanneer mogelijk, preventief onderzoek wanneer nodig). In 2008 was het onderzoek vooral gericht op het Sigma gebied Wijmeersen 2, vlak langs de Schelde gelegen (Schellebelle, Oost-Vlaanderen).

Gebaseerd op de paleolandschappelijke reconstructie van dit gebied werd een aantal zones uitgekozen voor een archeologisch prospectief booronderzoek. Daaropvolgend werd ter evaluatie van de gegevens die dit opleverde een aantal testputten aangelegd. De gecombineerde resultaten tonen belangrijke archeologische relicten in alle geprospecteerde zones. In één zone kon een aantal prehistorische occupaties vastgesteld worden (vnl. vroeg-mesolithisch en laat- neolithisch), gelegen op een systeem van laatglaciale kronkelwaardruggen. Het meest verrassende resultaat van het archeologisch onderzoek was echter de ontdekking van een intensieve en rijke Romeinse aanwezigheid (einde 1e tot de 3e eeuw) in het gebied. Door de afdekkende klei en permanente natte omstandigheden is de bewaringstoestand van dit site zeer goed, met een uitstekende bewaring van organisch materiaal.

Het cultuurhistorisch onderzoek van het gebied toonde een perceelstructuur en drainagenetwerk dat, naar de beschikbare historische kaarten, in hoofdstructuur tenminste teruggaat tot de 16e eeuw. Naar het uitgevoerde archiefonderzoek gaat de systematische drainage en inrichting van het gebied bovendien tenminste terug tot de 13e eeuw. Hiervoor werden de Wijmeersen ingericht met een aantal dijkjes en grachten. Verschillende hiervan, waarvan enkele kunnen getraceerd worden tot tenminste de 16e eeuw, zijn nog steeds zichtbaar in het gebied.

Het onderzoek toont dus aan dat de Wijmeersen 2 zone een zeer rijk en goed bewaard geologisch, paleo-ecologisch en cultureel erfgoed bezit. Het is nog niet helemaal duidelijk wat de ontwikkeling tot ontpolderingsgebied op dit erfgoed zal hebben. Gezien het uitgestrekte (zowel horizontaal als verticaal) aanwezige archeologische erfgoed in het gebied, is een ‘vlakdekkende’ archeologische opgraving wellicht onrealistisch. Een uitgebalanceerd compromis dient dus te worden gevonden. Dit omvat in de eerste plaats verder evaluerend onderzoek, en de het bedenken van mogelijke scenario’s waarbij het erfgoed zo veel mogelijk gevrijwaard zal blijven in het overstromingsgebied, afgestemd met de noden vanuit natuurontwikkeling.